Flevopark
27 September 2006
By on 10:39

‘And now I’m feeling dangerous, riding on city busses, for a hobby itself’
(Belle & Sebestian)

Maar waarom zou een mens in stinkende stadsbussen gaan zitten als een stad als Amsterdam ook voorzien is van een uitstekend tramnetwerk, waarvan de finesses me bovendien nog amper bekend zijn? Dus nam ik me voor de melancholische ik-kan-alleen-maar-uit-tramraampjes-kijken-met-knoeperthard-belle-and-sebastian-aanbui waarin ik verkeerde flink uit te buiten en de allereerste tram te pakken die me vanaf het Spui zou passeren. Wel een oude natuurlijk, want die leijke nieuwe schommelen toch alleen maar – bovendien raak je in die daken, als je niet oppast, zo je voetbal kwijt. En niet de 16 natuurlijk, want die zou me linea recta via huis naar VU Medisch Centrum brengen en zodoende geen verrassing bieden.

‘I went down to the citypark and hang around till after dark when the girls got home, yeah the girls got home.’
(Wederom Belle & Sebastian)

Wie vermoedde dat het Flevopark daadwerkelijk een park zou zijn? Ik niet. Industrieterreinen toch, havens, lelijke gebouwen zoals die altijd op de rand van een stad en dus ook op het eindpunt van tram 14 – een oude, een hele oude zelfs, met van die 70′s-bankjes – zouden staan: het Flevopark. Niets van dat. Bomen, dartelend groen, uitgestrekte grasvelden. Echt groen ook. Niet dat quasigras uit het Vondelpark, platgetrapt en platgebrand door duizenden hippe voeten en picknickkleedjes. Waarom komt het hele Vondelpark niet hier zitten, in het Flevopark, aan deze vijver, omringd door treurwilgen, bevolkt met meerkoeten en reigers, voeten in het water, zoals ik nu zit?

Zoals dat altijd gaat met retorische vragen dient het antwoord zich snel aan, ditmaal in de vorm van twee zwervers. (Tussentijdse overpeizing: wat is dat toch met ons mensheid dat we slechtonderhouden tuig met Export-bierblikjes altijd typeren als zwervers alias daklozen, en nooit eens als huizenbezitters, oke, flatbewoners van twaalf hoog achter dan, die wat minder om hun uiterlijk geven en aan het eind van de middag graag een biertje in het stadspark mogen consumeren?) De twee zitten aan de overkant van het water xc3xa9n aan de overkant van het bijbehorende grasveld op eenbankje onder de bomen, zodat ze me tenminste niet zullen storen in het stampen van Spaanse werkwoordsvervoegingen. Wel dus.

‘Wat je zegt,’ brult een vrouw tegen de man naast haar, ‘moet je ook naakomen.’  Ze kleedt zich keruig in de lijn van haar stereotype: zwarte, te korte spijkerbroek, model wortel, leren motorjack met tintjes roze erin. Nog een keer. ‘Wat je zegt, moet je ook naaakomen.’

Hoewel ze een punt heeft, is mijn punt aan deze mensen dat ze zichzelf te vaak herhalen als ze een punt hebben.

Haar zwerfcompaan ondergaat het relaas gelaten. Ook zijn stereotype mag er wezen: verwarde haardos, ingevallen gezicht, roodgeruite bejaardentrolley naast hem met vast alleen maar meer blikjes Export. De man neemt nog een slok. Dan reageert hij: niet met een duidelijke oneliner, maar maar wat hees gehaspel. Huhuhuhu. Niks van te verstaan. Dat wordt niks met die dialoog.

Gelukkig is het roze motorjack daar ook niet op uit. ‘Ik wordt er soms gewoon zo strontziek van!’ Ze begint rondjes rond het bankje te lopen en trekt nog wat meer registers ellende open. ‘En dan ook nog met die kenkerzoon van je.’ Huhuhu, doet de man. De vraag is waarom hij niet gewoon demonstratief wegloopt – stik er maar in – of een blikje Export uit zijn bejaardentrolley pakt en die naar haar grijze hoofd smijt – desnoods de hele trolley zelf, in een keer, hupsakee. Maar nee. Hij zit daar maar gelaten te luisteren en doet niks. Alleen wat huhuhu-en.

Het roze motorjack loopt naar de oever en smijt haar lege blikje Export in het water. ‘Zink dan!’ roept ze. Nog een keer, wat harder: ‘Zink dan!’ Een paar tellen staart ze het blikje na. Het blijft op z’n post. ‘Kolereding!’ Ze draait zich om, loopt wat rondjes en gaat verder, met diezelfde schelle stem die elke vorm van concentratie op Spaanse werkwoordsvervoegingen onmogelijk maakt: ‘Maar wacht maar! Hij zinkt wel, als ik hier maar lang genoeg wacht. Hij zinkt wel, naar de bodem. Zink dan!’

Achter haar komt de man overeind. Hij klapt een handvat uit de trolley en laat het gevaarte achter zich aanhobbelen, de houtspinters van het pittorekse Flevoparkpaadje over. Het roze motorjack schreeuwt voorspelbaar achter hem aan. ‘Wat je zegt, mot je ook nakomen, weet je. Wat je zegt…’ Dan draait ze zich om en loopt schreeuwend achter de verwarde haardos aan, of, wie weet, achter de trolley met bier. Bang voor de stilte. Bang voor de eenzaamheid. Minutenlang schalt haar stem nog na door de bossen. Dan is het weer stil in het Flevopark. Op het lege bankje ploft een hijgende hardloper neer. Zo hoeft het niet meer, denkt een hiphopper in wit vest op het bankje ernaast, die het hele tafereel vanuit zijn capuchon heeft gadegeslagen. Groot gelijk heeft -ie. Op naar de uitgang van het Flevopark, naar tram 7, die daar keurig staat te wachten. Eens kijken waar die me brengt.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>